Een oester uit het Hollands Nauw, kwam bij de dokter, met zijn vrouw. Mijn man, zo sprak zijn echtgenote, mijn man is altijd zo gesloten. Hij is heel lief hoor, daar niet van, maar ‘k heb er zo weinig aan. Hij sluit zich op in zijn twee schelpen en zegt: ik kan het ook niet helpen, het is nu eenmaal mijn natuur. Dat kan wel zijn, maar op den duur dan wordt het saai, dat hele stille. Och dokter, ik zou dolgraag willen dat u eens ernstig met hem sprak en hem voorzichtig openbrak.

De dokter fronste lang zijn voorhoofd en zei: dat lijkt mij ongeoorloofd, maar vindt meneer het een probleem als ik een röntgenfoto neem? De oester zweeg in alle talen. De dokter ging zijn toestel halen. Wie zwijgt stemt toe, dus komt u maar. Het is in één minuutje klaar.

Ziezo de foto is genomen. Als u er even bij wilt komen… Wat zie ik daar? Och lieve help, u hebt een parel in uw schelp!

Geen kleintje, nee, een hele grote! Dus daarom bent u zo gesloten. U denkt gewoon de hele tijd: straks raak ik nog mijn parel kwijt.

Dat had de dokter goed gesnopen. Héél langzaam ging de oester open. Heel zacht ontsloot hij zich en zie: daar lag de mooiste parel die er ooit op aarde is gevonden. Een onvoorstelbaar grote, ronde.
Zijn vrouw was zichtbaar aangedaan en liet een zilte oestertraan. Ze riep, van vreugde buiten zinnen: Je bent zo mooi, zo mooi van binnen! De oester zuchtte zachtjes: schat, ‘k wist niet dat ik het in mij had. Hij nam haar teder in zijn schelpen en zei: ik kon het echt niet helpen. Ik wilde wel, maar ‘t ging niet, heus… De dokter snoot ontroerd zijn neus. Hij zei: ik raad u aan, heer oester: ga door met opengaan en koester met zorg en niet door angst geplaagd de parel die u in zich draagt.

(Bette Westera, De zingende zaagvis)